blog/Johan De Haes

Seks, Amis en de literaire canon

Sexual intercourse began/ In 1963/ (Which was rather late for me) - /Between the end of the Chatterley ban/ And the Beatles’ first LP.” Zo begint het gedicht “Annus Mirabilis” van Philip Larkin. Deze overbekende regels echoën na in ten minste twee recente en geruchtmakende romans. In “On Chesil Beach” schetst Ian McEwan (1948) een jong paar dat aan zijn seksuele onervarenheid ten onder gaat. Dat was begin jaren zestig, net voor de seksuele revolutie begon. Zijn generatiegenoot Martin Amis (1950) (foto) laat zijn nieuwe roman “The Pregnant Widow” met het vers van Larkin beginnen. Duidelijkheidshalve voegt hij er wel aan toe: “Het was in de zomer van 1970 en de jaren hadden deze verzen nog niet platgewalst“. Of Keith Nearing aan seksuele inhibities wegkwijnt is nog maar de vraag. Driekwart van de roman speelt zich in Italië af, waar een groep twintigers in een oud castello met zwembad logeert. Aan het slot van “The Pregnant Widow” kijkt een 60-jarige Keith op de hierna volgende veertig jaren terug.

meer lezen …

Anthony Trollope redacteur

Zullen we na onze tijdgenoten Diana Athill en Charles Monteith, eens naar een redacteur van lang geleden kijken? Niet de eerste de beste trouwens. De populaire romancier Anthony Trollope (1815-1882) heeft net als zijn illustere 19de-eeuwse collega’s Charles Dickens en William Makepeace Thackeray, zijn sporen als tijdschriftredacteur verdiend. Meer nog. Toen Thackeray besloot Trollope’s roman “Framley Parsonage” in “zijn” Cornhill Magazine te publiceren, zette deze beslissing het tijdschrift definitief op de rails. Van dan af zou Trollope verscheidene romans in feuilletonvorm laten verschijnen. In 1867 zegde hij zijn hoge functie bij de Britse Post vaarwel, om zich helemaal aan het schrijven te wijden. Daar hoorde ook het redacteurschap van het nieuw opgerichte Saint Paul’s Magazine bij. Het leverde hem behalve belangrijke sommen voor zijn eigen bijdragen, jaarlijks zo’n 1000 pond als loon op. In zijn postuum verschenen “Autobiografie” verklaart Trollope dat eigenaars en uigevers, met hun commerciële instinct, wellicht betere redacteurs zijn, als ze zich maar bekwaam en toegewijd genoeg tonen. Saint Paul’s Magazine werd in elk geval geen succes. Na drie jaar hield hij het voor bekeken. In 1870 verscheen “An Editor’s Tales”, een bundeling verhalen die tot het minst bekende werk van Anthony Trollope behoren. Alle verhalen hebben een geplaagde redacteur in de hoofdrol.

meer lezen …

William Golding en zijn redacteur

Herinnert u zich nog de bekende redactrice Diana Athill, die samen met André Deutsch de gelijknamige Londense uitgeverij uitbouwde tot een prestigieus fonds? Bij het lezen van “William Golding. The biography of the maker of Lord of the Flies” (2009), de voortreffelijke biografie door John Carey, stuitte ik op een andere, weinig bekende naam: Charles Monteith (1921-1995). Het verhaal van Charles Monteith (foto, rechts) begon met een intense samenwerking en eindigde met een levenslange vriendschap. Toen aan William Golding (foto, links) in 1984 de Nobelprijs voor literatuur werd uitgereikt, mocht Monteith, Goldings redacteur bij uitgeverij Faber and Faber, samen met het Zweedse koningspaar en de heer en mevrouw Golding op de staatsiefoto. Dat was meer dan verdiend. Maar Charles Monteith is niet de enige invloedrijke redacteur bij Faber and Faber geweest. Hij had een voorganger en collega die veel beroemder was. Samen maakten zij Faber and Faber tot een weergaloos uitgeversavontuur.

meer lezen …

Hoe lang nog boeken?

Jean-Claude Carrière (1931) is een gerenommeerde scenarist. Hij schreef erudiete boeken over het boeddhisme en verzamelt oude Franse volksboeken. Umberto Eco (1932) hoeft geen introductie. “De naam van de roos” zegt genoeg. Zijn werk als semioticus was al vroeger bekend en als verzamelaar van zeldzame “domme” boeken beschouwt hij zichzelf als een zielsverwant van Gustave Flaubert. Beurtelings in Parijs en Monte Cerignone voerden zij gesprekken onder leiding van Jean-Philippe de Tonnac en het resultaat is een lichtvoetig, erudiet, amusant en toch ernstig boek over de toekomst van datzelfde boek. “Zo gemakkelijk kom je niet van boeken af” luidt de titel die al aangeeft dat beide heren geen kortzichtige of modieuze doemdenkers zijn. De wijze waarop zij met veel zwier de meest curieuze en treffende verhalen uit hun geheugen opvissen, maakt dit tot een zeer genietbaar geschrift. meer lezen …

Een treinramp in Kent

De dood van Huskisson spreekt nog altijd tot de verbeelding. William Huskisson was een vooraanstaand Brits parlementslid. Toen in 1830 de spoorlijn tussen Liverpool en Manchester in zijn aanwezigheid werd ingehuldigd, reed de legendarische Rocket lokomotief van George Stephenson hem omver.

Huskisson was het eerste bekende slachtoffer van de spoorwegen. Charles Dickens observeerde met grote belangstelling dit nieuwe vervoermiddel dat reizen sneller en goedkoper zou maken, en hij maakte er ook duchtig gebruik van. Maar op 9 juni 1865 gebeurde er iets gruwelijks. Dickens zou nadien nooit meer onbekommerd in een treinwagon stappen. meer lezen …

Liefde volgens Stendhal

De liefde in haar vele facetten vind je terug in het hele oeuvre van de Franse schrijver Marie-Henri Beyle (1783-1842). Onder het pseudoniem Stendhal heeft deze diplomaat uit Grenoble met twee grote romans literaire geschiedenis geschreven. “Le Rouge et le Noir” en “La Chartreuse de Parme” zijn 19de-eeuwse meesterwerken. De kronkelwegen van de menselijke liefde waren helemaal aan de orde in het briljante en brokkelige essay dat Stendhal in 1822 publiceerde en dat “De l’Amour” als laconieke titel meekreeg. Stendhal schreef ook korter werk. Een viertal verhalen, waarvan twee postuum gepubliceerd, en een onafgewerkte roman, werden onlangs in één bundel verzameld en vertaald door Tatjana Daan. De titel? “Liefdesverhalen”!

Over de liefde

Stendhal was al lang geen onstuimige adolescent meer toen hij in de winter van 1818 Mme Dembowski ontmoette. Deze 28-jarige Milanese vrouw, moeder van twee kinderen, die ongetrouwd Matilde Viscontini heette, was met een oudere Poolse officier gehuwd maar leefde inmiddels gescheiden. Stendhal was sterk onder de indruk van haar “Lombardische” schoonheid en haar edele, zij het wat timide maar sterke karakter. Beyle was smoorverliefd, maar Mme Dembowski over wie ook al vele roddels circuleerden, vermoedde een avonturier in de zielsverwante Beyle. Onhandigheden van zijn kant maakten een echte toenadering steeds moeilijker. Deze mislukking lag aan de basis van zijn boek “Over de Liefde”, waarin hij aanvankelijk in fictionele vermomming over zijn liefde begon te schrijven. meer lezen …

Stet

Stet is drukkersjargon en betekent “laat het staan”. Met een stippellijn en “stet” in de marge duidt de tekstredacteur aan dat een geschrapte passage niet mag verwijderd worden. “Stet” is ook de titel van een boek over het redacteursverleden van de legendarische Diana Athill. Zij werkte jarenlang met André Deutsch in de uitgeverij die zijn naam droeg.

“André Deutsch” was, totdat de uitgeverij in de jaren ’80 werd verkocht, een kwaliteitslabel. Athill waakte over de literaire kwaliteit van het fonds en was verantwoordelijk voor de begeleiding van zijn auteurs. In 2008 kreeg “Somewhere towards the end”, waarin de toen 91-jarige gewezen uitgeefster op haar lange leven terugblikte, een Costa Award. Het werd in 2009 als “Goed Oud” in het Nederlands vertaald. En nu is er “Life Class”, een ruime selectie uit haar memoires. “Stet” (2000), waarnaar ik al een poos op zoek was, staat er in afgedrukt.

meer lezen …

Bernlef als poëziegids

http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.enHet moet halverwege de jaren zeventig geweest zijn. Ik nam een abonnement op het weekblad De Haagse Post, dat toen nog niet zo glossy was. Het had wat met de boeiende poëzierubriek te maken, die Bernlef, toen nog J. Bernlef, in dat blad verzorgde. Wat later publiceerde hij “Het ontplofte gedicht”, opstellen over poëzie waarin hij een aantal twintigste-eeuwse dichters introduceerde. De titel “Het ontplofte gedicht” verwees naar de Portugese dichter Fernando Pessoa die in de herfst van datzelfde jaar (1978) zijn glorieuze entree in de Nederlandse literatuur zou maken. Ik vermoed dat de spraakmakende vertalingen van August Willemsen nog net niet verschenen waren want Bernlef noemt zijn naam niet en de drie vertalingen waarnaar hij in het titelessay verwijst zijn Engelse. Las ik bij Bernlef voor het eerst over Pessoa of was het in “De kinderen van het slijk”, de onmisbare inleiding tot de moderne poëzie door Octavio Paz? Wat ik zeker weet is dat Bernlef mij de gedichten van de onbekende Konstantinos Kavàfis en van de mij alleen bij naam gekende Catullus heeft doen lezen. Gidsen als Bernlef zijn er om te koesteren. meer lezen …

Dagboeken van Orwell

Eric Blair schreef in zijn dagboek zoals hij ademde. Het hield zijn waarnemingsvermogen op scherp. De natuur in Wallingford of Marokko, mijnwerkers die tijdens de crisisjaren met waardigheid het hoofd boven water probeerden te houden, Europa in de greep van totalitaire regimes of een land dat kreunde onder de bommen, Eric Blair zag, luisterde, ontleedde en schreef het op, met gedurfde eerlijkheid en met een liefde voor heldere taal die zijn journalistieke werk buitengewoon fris en levendig heeft gehouden. Zijn dagboeken, of wat ervan overbleef, zijn nu, uitvoerig en voorbeeldig geannoteerd door Peter Davison, in één boekdeel gebundeld en uitgegeven. De lezer ziet een buitengewoon nieuwsgierige en verrassend vrije man aan het werk. meer lezen …

Waar moet ik lezen?

Hoe belangrijk is de plek waar een boek gelezen wordt? In een van de gekste boeken over lezen en lezers, “The Anatomy of Bibliomania”, een kanjer volgestouwd met anekdotes, vertelt Holbrook Jackson het verhaal van Mrs. Dyble. Deze dame woonde in het huis (nu museum) van Dr. Johnson in Gough Square. Tijdens een Duits bombardement op Londen, weigerde Mrs. Dyble, zolang haar man aan het front was, in de kelder van het 18-de eeuwse huis te gaan schuilen. Nee, ze trok naar de zolder en las er in Boswell’s Life of Johnson, tot de vijandige bommenwerpers uit het luchtruim verdwenen waren. Uitdagend, heldhaftig en flegmatisch, ongetwijfeld, maar de zolder was ook de plek waar Johnson en zijn hulpjes destijds, op een vergelijkbaar heroïsche wijze het Grote Woordenboek vervaardigd hadden. Zo staat het ook beschreven in de biografie van James Boswell. Kortom, geen betere plek om in dat beroemde boek te lezen. Of niet? Lezen we een boek best op een geassocieerde plek of juist niet, om de woorden zo zuiver mogelijk tot ons te laten doordringen? meer lezen …