blog/Johan De Haes

De bibliotheek van Alberto Manguel

In een bijdrage over literatuur en psychologie schreef ene George Currie onlangs nog deze ontluisterende woorden in het Times Literary Supplement: “Als we ons ernstig met grote literatuur bezighouden, levert ons dat niet meer kennis, meer mogelijkheden, uitgeklaarde emoties of diepere menselijke sympathieën op. Het laat ons slechts toe vaardigheden te ontwikkelen waarmee we een fascinerende, veeleisende, en… wellicht verkeerde opvatting over wat mensen zijn, kunnen exploreren.” Kortom, de studie van literatuur is wellicht voor het grootste deel vergeefs en nutteloos. Het is een hard “wetenschappelijk” oordeel dat de Argentijnse schrijver Alberto Manguel zeker niet zou onderschrijven.

Alberto Manguel (foto) is bij ons bekend als de auteur van Een geschiedenis van het lezen, Dagboek van een lezer en De bibliotheek bij nacht. Alberto Manguel beschrijft zichzelf als een verwoede lezer die slechts laat met schrijven is begonnen, en dat schrijven meestal aan het lezen ondergeschikt heeft gemaakt (of beter: het ermee heeft laten samenvallen). In De kunst van het lezen (2001) heeft hij een keuze gemaakt uit een oogst van opstellen die dertig jaar bestrijkt. Eentje ervan, Een hommage aan Proteus, is een lezing gehouden op het Brusselse Passa Porta Festival in 1998. Alberto Manguel is een literaire polyglot en globetrotter, een Argentijn die in het Franse Poitou woont temidden van zijn dertigduizend boeken en in het Engels schrijft, met veel kennis, wijsheid en enthousiasme. meer lezen …

En wie herdenkt Thackeray?

2012 wordt, omwille van de tweehonderdste verjaardag van zijn geboorte, een Dickens-jaar. Charles Dickens werd op 7 februari 1812 in Portsmouth geboren. Talrijke herdenkingen zijn nu al gepland: van een nieuw monument in het Zuid-Londense Southwark tot een massaal volksfeest in het Nederlandse Deventer. En deze maand nog verschijnt de lang verwachte biografie door Claire Tomalin.

 Zaterdag bezocht ik de Dickens expositie in het Château d’Hardelot bij Boulogne-sur-Mer. Frankrijk bijt dus verrassend genoeg de spits af met deze verzorgde tentoonstelling over zijn werk. Dickens’ talrijke bezoeken aan Frankrijk krijgen vanzelfsprekend bijzondere aandacht. De schrijver verbleef eerst met zijn familie, later, maar dan wel incognito, met zijn minnares Ellen Ternan in een vakantiehuisje in Boulogne.

De ster van Dickens staat zeer hoog aan de literaire hemel. Zijn werk wordt in binnen- en buitenland druk gelezen en bestudeerd en zijn personages leven voort in de verbeelding van miljoenen lezers en kijkers. Dickens maakt helemaal deel van de Engelse identiteit of verbeelding. En alleen Shakespeare kon zo sterk en zo snel een personage tekenen zodat het in de verbeelding van zijn lezers gebrand bleef, schreef de criticus Harold Bloom. Hij was een literair genie, een werkbeest en een gewiekst zakenman.

Eén jaar voor Charles Dickens werd zijn latere rivaal William Makepeace Thackeray (foto) geboren, maar op een sporadisch herdenkingsartikel na, bleef het de voorbije maanden opvallend stil rond de schrijver van Vanity Fair. Deze roman, die ook Gent en Brussel ten tijde van de slag bij Waterloo als decor heeft, geldt als een hoogtepunt in de geschiedenis van het genre. Helaas zijn zijn briljante journalistiek en zijn latere werk bijna vergeten.

meer lezen …

Hisham Matar, een schrijver uit Libië

Op vrijdag 26 augustus beschreef Hisham Matar (1970) in de Engelse krant The Guardian hoe zijn neef, enkele dagen voordien bij de bevrijding van Tripoli, door een sluipschutter werd doodgeschoten. Hisham Matar is een Libische schrijver die geboren werd in New-York , waar zijn vader aan de ambassade bij de Verenigde Naties verbonden was.

Hisham groeide op in Cairo en studeerde later in Londen, waar hij nu woont. In 2006 maakte zijn debuut In the Country of Men deel uit van de Man Booker shortlist. In maart 2011 was er de tweede roman Anatomy of a disappearance. Beide boeken werden onder meer door John Coetzee en Roddy Doyle uitvoerig geprezen. Gelukkig zijn ze ook allebei in het Nederlands vertaald.

meer lezen …

Over water

Op 18 april 1941 vonden kinderen het lijk van een vrouw, die drie weken in het water van de Ouse had gelegen. De Ouse bevloeit het zuidelijke graafschap East Sussex. De vrouw droeg een met stenen verzwaarde bontmantel. Het verdronken lichaam was dat van de schrijfster Virginia Woolf. Zij woonde er niet ver vandaan, in het dorpje Rodmell en was daar in de rivier gestapt en verdronken.

 In de lente van 2009 breekt de journaliste Olivia Laing (foto) met haar vriend. Om van de schok te bekomen besluit ze tijdens de midsummer juniweek de Ouse in een tweeënveertig mijl lange tocht die één week duurt, van de bronnen in de buurt van Haywards Heath tot de monding in Newhaven te volgen. Olivia Laing woont in Brighton en dit is dus geen onbekend terrein. “Als we pijn voelen, keren we terug naar de oevers van sommige rivieren” las ze bij de dichter Czeslaw Milosz. Het resultaat was To the River, een debuut dat de voorbije lente in Groot-Brittannië veel lof oogstte en volgende maand als Naar de rivier in een Nederlandse vertaling zal verschijnen.

meer lezen …

Het boek van een taal

Gevraagd door Thomas Babington Macaulay naar het lelijkste Engelse woord dat zij kende, noemde de 19de-eeuwse literary hostess Lady Holland het bijvoeglijke naamwoord “talented” (getalenteerd). Wist zij dan niet dat dit van bijbelse oorsprong was, vroeg Lord Macaulay zich af. In een brief aan de christelijke blauwkous Hannah More bekende de beroemde historicus dat hij maar wijselijk verzwegen had “dat wie zich over de fijne nuances van de Engelse taal uitlaat, maar best de Bijbel tot in de toppen van zijn vingers kent.”

David Crystal, een hedendaagse autoriteit op het gebied van de Engelse taal, vertelt de anekdote in “Begat. The King James Bible and the English Language“, zonder twijfel het geestigste boek uit de stroom geschriften verschenen naar aanleiding van de vierhonderdste verjaardag van de King James Bible. Deze Engelse bijbelvertaling uit 1611 werd door Winston Churchill een meesterwerk genoemd en het boek dat de grote Engelstalige wereldgemeenschap heeft gevormd en verenigd. In “Begat” (”Abraham begat Isaac; and Isaac begat Jacob; and Jacob begat Judas and his brethren“) identificeert David Crystal vele woorden en uitdrukkingen met een bijbelse oorsprong maar gaat hij ook al googlend op zoek naar de grappigste, onwaarschijnlijkste en vindingrijkste toepassingen. De lezer kan inderdaad niet anders dan besluiten dat de bijbel tot in de verste uithoeken van het Engels is doorgedrongen, of je dat nu lief is of niet, of je nu een lezer van bijbel of koran bent, of een hartstochtelijke atheïst. meer lezen …

Alles anders bekeken

In Flaubert’s Papegaai heeft de Britse schrijver Julian Barnes (1946) de draak gestoken met critici en biografen die de ogen van Madame Bovary telkens een andere kleur toedichtten. Nothing to be frightened of, het vorige boek van Barnes - geen roman maar een autobiografische uitweiding over de onmogelijkheid om zich op de dood voor te bereiden - was het resultaat van eindeloze twistgesprekken met zijn broer Jonathan Barnes, een gereputeerde academicus en filosoof. Beiden raakten het zelfs nog niet eens over hun gedeelde jeugdherinneringen.

The Sense of an Ending is een nieuwe, korte roman. Tony Webster, een gepensioneerde man die op zijn “vreedzame” leven terugblikt, loopt ook al niet over van zekerheden. “Je kan het natuurlijk ook anders stellen” zegt hij, “Dat kan je altijd.” De schier grenzeloze onzekerheid, die door het tijdsverloop en zijn onbetrouwbare bondgenoot, de herinnering, versterkt wordt, is in deze roman niet alleen het onderwerp van jeugdig en niet-jeugdig gefilosofeer, maar van een morele tragedie die met thrillerachtige spanning pas op de laatste bladzij in al haar huiveringwekkende naaktheid de lezer overvalt.

meer lezen …

Cavaliers maudits

Er wordt wel eens vergeten dat meer dan honderd jaar voor de Franse Revolutie er een Engelse was, met een dramatische burgeroorlog op de koop toe. Koningsgezinden stonden vanaf 1642 oog in oog met aanhangers van het door de vorst ontbonden parlement, de puriteinen versus de gematigde protestanten, de kortgeknipte Roundheads tegen de langharige Cavaliers. In werkelijkheid was het conflict grijzer en onbeslister, doorkruisten twijfel en opportunisme een duidelijke demarcatielijn.

De koninklijke legers werden in 1651 definitief bij Worcester verslagen. De royalistische kopstukken gingen in ballingschap. De koning was onthoofd. Maar de roep om parlementaire zelfbeschikking liep, als in zo vele revoluties, op een dictatuur uit. Toen Edmund Burke in 1790 het bloedbad van de Franse Revolutie voorspelde, herinnerde hij zich ongetwijfeld de Engelse broederstrijd. De geniale militair Oliver Cromwell, die het rebellenleger had gemoderniseerd, trok de macht naar zich toe en ontwapende de ergste heethoofden in eigen rangen. Iedereen verlangde naar rust.

Maar zijn puriteinse dictatuur stortte al kort na zijn dood in elkaar. Het volk hield niet van alleenheersers noch van puriteinse scherpslijpers. De nieuwe koning, een jonge Charles mét een hoofd, kwam terug naar zijn troon, maar de parlementaire gedachte was niet dood. Een definitieve regeling werd in 1688 getroffen met de Glorious Revolution. En de blijvende spanningen leidden op termijn tot de vorming van twee (relatief vreedzame) politieke partijen: de Tories en de Whigs.

Dat laatste ligt wel ligt buiten het bereik van Reprobates, het nieuwe boek van John Stubbs. Stubbs, pas vierendertig en de auteur van een opgemerkte biografie van John Donne, waagde zich aan een groot panorama van de verliezers. De puriteinen telden twee grote dichters in hun rangen: de felle en militante John Milton en de voorzichtige Andrew Marvell. Cavalier dichters als John Suckling, Thomas Davenant en Richard Lovelace zijn minder bekend, maar hun leven en werk, zoals verteld door John Stubbs, zijn daarom niet minder avontuurlijk. Reprobates (‘de Ontaarden’) staat op de shortlist van de Samuel Johnson Prize voor non-fictie die op 6 juli wordt toegekend. meer lezen …

Romanticus met vergrootglas

Hoe meer hij van de natuur geniet en ons dat meedeelt, en hoe meer hij meevoelt met het wel en wee van haar bewoners, hoe meer gelijkenis hij vertoont met zowel een vroeg 19de-eeuwse romanticus als een 18de-eeuwse rationalist.” Dat schreef Richard Mabey in de inleiding tot zijn biografie van Gilbert White (1986), waarvoor hij destijds de Whitbread Biography Award kreeg.

Gilbert White (1723-1793) is de auteur van het onverwoestbare The Natural History of Selborne (1791). Hij was een Anglicaanse kapelaan die zijn leven wijdde aan de minutieuze en liefdevolle beschrijving, in wisselende weersomstandigheden, seizoen na seizoen, van de fauna en flora in zijn afgelegen dorp in Hampshire. Selborne, dat nog altijd trots is op zijn goed onderhouden zigzag pad, dat een bosrijke heuvel met het dorp verbindt en door White eigenhandig werd aangelegd, ligt enkele kilometers van Chawton, waar Jane Austen woonde. Niets wijst erop dat ze elkaar hebben ontmoet.

Coleridge, Darwin en Auden hebben “Selborne” geprezen en Virginia Woolf vond het een boek dat op het eerste gezicht een gewoon verhaal vertelt, maar “door een blijkbaar onbewuste truc van de auteur een deur openlaat waardoor we verre geluiden horen“. Na 1820, merkwaardig genoeg toen het Engelse platteland een zware crisis doormaakte, werd het een bestseller. Het is tot op heden en zonder onderbreken in druk gebleven.

Biograaf Richard Mabey (foto)  is in de loop der jaren een bekend auteur en een vertrouwde mediafiguur geworden. Voor een ruim publiek is hij min of meer het groene geweten van een natie. Onlangs publiceerde hij The Perfumier and the Stinker, een klein boekje met radiolezingen, waarin hij zichzelf als a romantic naturalist beschrijft. Hij legt uit waarom, en hij doet dat zintuig per zintuig. meer lezen …

Een verwijfde theepot

The six-mark teapot (foto) is een spotprent van George Du Maurier. Du Maurier was de huistekenaar van het satirische magazine Punch. De prent toont een nonchalant leunende langharige man in gesprek met zijn jonge vrouw, die een theepot bewondert. Er ontvouwt zich een kort gesprek.

Esthetische Bruidegom: “Hij is nogal duur, nietwaar?” Intense Bruid: “Ja, zeker. O, Algernon, laten we hem waardig zijn.” (”let us live up to it“).

De naam Algernon verwijst naar de “estheet” en dichter Charles Algernon Swinburne. De vrouw is getekend naar Jane Morris, vrouw van William Morris, muze van Dante Gabriel Rossetti en het model en schoonheidsideaal van een schildersgeneratie. De gedachte om zich een kunstwerk waardig te tonen, verwijst naar de oneliner van Oscar Wilde. Tijdgenoten wisten heel goed waar dit allemaal over ging.

Alsof er nog niet genoeg gelachen was, kwam er ook een Worcester porseleinen theepot op de markt. De pot nam de vorm aan van een jongeman (of omgekeerd), gehuld in een modieus groen pakje en met een door estheten gekoesterde zonnebloem op de borst. Zijn gebogen arm en het neerwaartse losse handje vormden de tuit van wat in het Victoriaanse Engeland, waar de pispot het daglicht niet verdroeg, het meest banaal-huiselijke voorwerp was. Het jaar daarop maakten Gilbert and Sullivan de esthetische rage tot onderwerp van een komische musical.

In 1880 stond de Esthetische Beweging, die rond 1860 in zeer beperkte kring opbloeide, volop in de belangstelling van een burgerij die, naar de omstandigheden, geschokt, nieuwsgierig, tot een glimlach of zelfs tot imitatie bereid was. Een en ander - prachtige doeken, interieurs, kleren, sieraden en meubels - is bijeengebracht in The Cult of Beauty, de tentoonstelling in het Londense Victoria and Albert Museum. Nog tot 17 juli te bezoeken.

meer lezen …

Pedalare! Pedalare!

Morgen eindigt de Giro d’Italia 2011. Het mag dan, sinds Luigi Ganna in 1909 de eerste editie won, al zeker niet de spannendste Ronde van Italië geweest zijn, de dood van Wouter Weylandt zorgde voor dramatiek en zette een domper op het jaarlijkse wielerfeest.  

John Foot doceert Moderne Italiaanse Geschiedenis aan het University College (UCL) in Londen. Zijn eerste fietsheld, toen hij nog in Italië verbleef en het wielrennen op de voet kon volgen, was Claudio Chiapucci. Later volgden Gianni Bugno en uiteindelijk de spectaculairste hedendaagse coureur, die niemand onverschillig kon laten: Marco Pantani. Blijvende belangstelling en veel research resulteerden in een net verschenen boek dat, al was het maar omwille van de onvergetelijke titel “Pedalare! Pedalare!”, vele lezers verdient.

De petite histoire en het enthousiasme ontbreken zeker niet. Het is een (onvolledige) “geschiedenis van het Italiaanse wielrennen”. Vooral wordt een beeld geschetst van wat op politiek en sociaal vlak het schiereiland de voorbije eeuw heeft bewogen en dooreen geschud. Een twintigste-eeuwse geschiedenis van Italië zonder ciclismo is volgens John Foot helemaal ondenkbaar.

Wist u dat er ooit een zwarte trui was voorhouden voor de laatste in het Giro klassement (de ‘rode lantaarn” in de Tour), dat de legendarische Constante Girardengo een kuisheidsgordel droeg en dat de Vigorelli wielerbaan in Milaan, het “Mekka van de baansport”, er verlaten bij ligt en bijna tot moskee werd verbouwd? Je vindt het allemaal in “Pedalare! Pedalare!”

meer lezen …