Seks, Amis en de literaire canon
20 maart 2010
“Sexual intercourse began/ In 1963/ (Which was rather late for me) - /Between the end of the Chatterley ban/ And the Beatles’ first LP.” Zo begint het gedicht “Annus Mirabilis” van Philip Larkin. Deze overbekende regels echoën na in ten minste twee recente en geruchtmakende romans. In “On Chesil Beach” schetst Ian McEwan (1948) een jong paar dat aan zijn seksuele onervarenheid ten onder gaat. Dat was begin jaren zestig, net voor de seksuele revolutie begon. Zijn generatiegenoot Martin Amis (1950) (foto) laat zijn nieuwe roman “The Pregnant Widow” met het vers van Larkin beginnen. Duidelijkheidshalve voegt hij er wel aan toe: “Het was in de zomer van 1970 en de jaren hadden deze verzen nog niet platgewalst“. Of Keith Nearing aan seksuele inhibities wegkwijnt is nog maar de vraag. Driekwart van de roman speelt zich in Italië af, waar een groep twintigers in een oud castello met zwembad logeert. Aan het slot van “The Pregnant Widow” kijkt een 60-jarige Keith op de hierna volgende veertig jaren terug.



Zullen we na onze tijdgenoten Diana Athill en Charles Monteith, eens naar een redacteur van lang geleden kijken? Niet de eerste de beste trouwens. De populaire romancier 

De dood van Huskisson spreekt nog altijd tot de verbeelding.
De liefde in haar vele facetten vind je terug in het hele oeuvre van de Franse schrijver Marie-Henri Beyle (1783-1842). Onder het pseudoniem Stendhal heeft deze diplomaat uit Grenoble met twee grote romans literaire geschiedenis geschreven. “Le Rouge et le Noir” en “La Chartreuse de Parme” zijn 19de-eeuwse meesterwerken. De kronkelwegen van de menselijke liefde waren helemaal aan de orde in het briljante en brokkelige essay dat Stendhal in 1822 publiceerde en dat “De l’Amour” als laconieke titel meekreeg. Stendhal schreef ook korter werk. Een viertal verhalen, waarvan twee postuum gepubliceerd, en een onafgewerkte roman, werden onlangs in één bundel verzameld en vertaald door Tatjana Daan. De titel? “Liefdesverhalen”!
Stet is drukkersjargon en betekent “laat het staan”. Met een stippellijn en “stet” in de marge duidt de tekstredacteur aan dat een geschrapte passage niet mag verwijderd worden. “Stet” is ook de titel van een boek over het redacteursverleden van de legendarische Diana Athill. Zij werkte jarenlang met André Deutsch in de uitgeverij die zijn naam droeg.
Het moet halverwege de jaren zeventig geweest zijn. Ik nam een abonnement op het weekblad De Haagse Post, dat toen nog niet zo glossy was. Het had wat met de boeiende poëzierubriek te maken, die Bernlef, toen nog J. Bernlef, in dat blad verzorgde. Wat later publiceerde hij “Het ontplofte gedicht”, opstellen over poëzie waarin hij een aantal twintigste-eeuwse dichters introduceerde. De titel “Het ontplofte gedicht” verwees naar de Portugese dichter Fernando Pessoa die in de herfst van datzelfde jaar (1978) zijn glorieuze entree in de Nederlandse literatuur zou maken. Ik vermoed dat de spraakmakende vertalingen van August Willemsen nog net niet verschenen waren want Bernlef noemt zijn naam niet en de drie vertalingen waarnaar hij in het titelessay verwijst zijn Engelse. Las ik bij Bernlef voor het eerst over Pessoa of was het in “De kinderen van het slijk”, de onmisbare inleiding tot de moderne poëzie door Octavio Paz? Wat ik zeker weet is dat Bernlef mij de gedichten van de onbekende Konstantinos Kavàfis en van de mij alleen bij naam gekende Catullus heeft doen lezen. Gidsen als Bernlef zijn er om te koesteren. 
Hoe belangrijk is de plek waar een boek gelezen wordt? In een van de gekste boeken over lezen en lezers, “The Anatomy of Bibliomania”, een kanjer volgestouwd met anekdotes, vertelt
Recente Reacties