Logo


03 september 2010 00:54

Cobra.be als startpagina

Toon de tekst in de standaard lettergrootte Toon de tekst groter Toon de tekst extra groot


Agenda:


blog/Johan De Haes

Bernlef als poëziegids

http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.enHet moet halverwege de jaren zeventig geweest zijn. Ik nam een abonnement op het weekblad De Haagse Post, dat toen nog niet zo glossy was. Het had wat met de boeiende poëzierubriek te maken, die Bernlef, toen nog J. Bernlef, in dat blad verzorgde. Wat later publiceerde hij “Het ontplofte gedicht”, opstellen over poëzie waarin hij een aantal twintigste-eeuwse dichters introduceerde. De titel “Het ontplofte gedicht” verwees naar de Portugese dichter Fernando Pessoa die in de herfst van datzelfde jaar (1978) zijn glorieuze entree in de Nederlandse literatuur zou maken. Ik vermoed dat de spraakmakende vertalingen van August Willemsen nog net niet verschenen waren want Bernlef noemt zijn naam niet en de drie vertalingen waarnaar hij in het titelessay verwijst zijn Engelse. Las ik bij Bernlef voor het eerst over Pessoa of was het in “De kinderen van het slijk”, de onmisbare inleiding tot de moderne poëzie door Octavio Paz? Wat ik zeker weet is dat Bernlef mij de gedichten van de onbekende Konstantinos Kavàfis en van de mij alleen bij naam gekende Catullus heeft doen lezen. Gidsen als Bernlef zijn er om te koesteren.

Geestelijk kannibalisme

Voor Bernlef heeft de belangstelling voor andere en vooral buitenlandse dichters in de eerste plaats met zijn eigen werk te maken. Schrijven over poëzie van anderen is “als een soort geestelijk kannibalisme”. Deze vergelijking duikt dertig jaar later opnieuw op in “De tweede ruimte” (2010), een bundeling essays over vertaalde poëzie. Tomas Tranströmer is een Zweedse dichter die Bernlef, sinds zijn kennismaking met het werk in 1979, is blijven boeien. “Het was alsof ik deze gedichten al kende, het gevoel van déja vu, alsof zij al ergens in mij aanwezig waren en het lezen ervan ze naar buiten bracht. Dit was het begin van wat je ‘een kannibalistisch proces’ zou kunnen noemen. Natuurlijk had ik deze gedichten zelf moeten schrijven!” Maar dat had Tranströmer zelf al gedaan. Vertalen in het Nederlands was wat het enige wat overbleef.

“Poëzievertalers zijn een soort zendelingen”

Bernlef maakt de inmiddels vertrouwde opmerking dat er in Nederland en Vlaanderen zeer veel poëzie geschreven en weinig gelezen wordt, en dat daaraan een hardnekkig misverstand over poëzie ten grondslag ligt (“opschrijven hoe ze zich op een gegeven ogenblik voelen en dat zo direct mogelijk, in de meest voor de hand liggende bewoordingen”). Nederlandse poëzie verkoopt niet goed, maar met vertalingen is het, op enkele grote namen na, nog erger gesteld. Toch wordt er vertaald en zijn kleine uitgevers vaak tot uitgeven bereid. Maar in de boekenbijlagen en de boekhandels zijn deze bundels nauwelijks of niet te vinden.

Grote dichters zijn zelden grote vertalers, merkt Bernlef op, want onvoldoende “poreus”. Het verschil tussen een oorspronkelijk gedicht en een vertaling is dat het ene af is en het andere dat nooit kan zijn. Vertalingen kan je met elkaar vergelijken, wat Bernlef in “De tweede ruimte” ook enkele keren doet, altijd boeiend en verhelderend, soms polemisch.

De tweede ruimte

“De tweede ruimte” is de titel van een gedicht van de Pool Czeslaw Milosz. Een andere Pool Tadeusz Rozewicz, op zijn beurt getekend door de verschrikkelijke Poolse geschiedenis, toont zich afkerig van een bovenaardse “ruimte”, ook al is die, zoals in de poëzie van Milosz en vele moderne dichters, alleen nog maar als een echo waarneembaar. Maar deze ruimte blijft onmisbaar, ook al is het niet meer dan een “onbenoembare tweede ruimte” die aan ons taalvermogen en ons bewustzijn grotendeels ontsnapt. “Dat wat niet genoemd, niet benadrukt wordt, materialiseert zich, juist door de kracht van zijn afwezigheid”, zegt een andere dichter, de Zweed Lars Gustafsson.

Bernlef houdt van dichters die de poëzie niet als de gevoelsuiting van een ik beschouwen maar “als het verslag van een onderzoek naar verborgen aspecten uit de werkelijkheid”. Na het “Ik is een ander” van Rimbaud, de versplintering van de dichter in heteroniemen bij Pessoa, en het besef dat de wereld een Boek is geworden, dichter en lezer in de taal zijn opgesloten, is niets meer vanzelfsprekend. “Denkende” dichters als Wallace Stevens of Joao Cabral de Melo Neto genieten de voorkeur van Bernlef, net als de levendig observerende Elizabeth Bishop die vanuit de “aarzeling tussen de geslotenheid van het gedicht en de openheid van de wereld” te werk gaat.

Het antwoord van meneer Cogito

Zuivere abstractie of willekeurig toeval bedreigen het gedicht, dat steeds opnieuw en onvermijdelijk een voorlopige orde in de werkelijkheid aanbrengt. Een vers van Tomas Tranströmer roept deze bedenking bij Bernlef op: “Het gedicht is een botsing tussen binnen- en buitenwereld waarbij, als in een chemisch proces, uit twee bij elkaar gebrachte stoffen ten slotte een derde ontstaat: het onzichtbare maar wel degelijk aanwezige gedicht waarin de dichter zich manifesteert zonder zich een lyrisch ik aan te meten.” Het lijkt of voor Bernlef de moderne poëzie de grootst mogelijke vrijheid en de strengst mogelijke discipline moet betrachten. Net als voor Lars Gustafsson “zoekt (de dichter) niet langer naar een waarheid, hij speelt liever met veronderstellingen en mogelijkheden.”

“Is er dan helemaal geen hoop?” vroeg een jonge dichter aan meneer Cogito, het alter ego van de Poolse schrijver Zbigniew Herbert. “‘De hoop is ons skelet,’ zei meneer Cogito. ‘Wij dragen haar met ons mee zonder over haar te spreken. Zij beweegt ons voorwaarts, de toekomst in en overleeft ons ruimschoots.’” Als een tweede ruimte.

[”De tweede ruimte. Essays over poëzie” - Bernlef. Uitgeverij Querido, 2010]

Reageer