Eric Blair schreef in zijn dagboek zoals hij ademde. Het hield zijn waarnemingsvermogen op scherp. De natuur in Wallingford of Marokko, mijnwerkers die tijdens de crisisjaren met waardigheid het hoofd boven water probeerden te houden, Europa in de greep van totalitaire regimes of een land dat kreunde onder de bommen, Eric Blair zag, luisterde, ontleedde en schreef het op, met gedurfde eerlijkheid en met een liefde voor heldere taal die zijn journalistieke werk buitengewoon fris en levendig heeft gehouden. Zijn dagboeken, of wat ervan overbleef, zijn nu, uitvoerig en voorbeeldig geannoteerd door Peter Davison, in één boekdeel gebundeld en uitgegeven. De lezer ziet een buitengewoon nieuwsgierige en verrassend vrije man aan het werk.
India en Eton
Eric Blair (1903-1950) werd in Birma geboren en groeide op in Henley-on-Thames en in Southwold aan de kust van Suffolk. Een studiebeurs opende de deuren van de zeer elitaire public school in Eton, waar hij de latere invloedrijke criticus Cyril Connolly leerde kennen. Net als zijn vader trok hij naar India, waar hij dienst nam bij de Britse koloniale politie. Niet voor lang. Hij nam ontslag uit protest tegen de praktijken die hij in het onvergetelijke verhaal “A Hanging” heeft aangeklaagd, en keerde naar Engeland terug. Hij wilde schrijver worden en trok met literaire bedoelingen naar het Londense East End en Parijs. Hij daalde er af naar de onderste sport van de maatschappelijke ladder. Het leverde hem zijn eerste boek “Down and out in Paris and London” op én een tuberculeuze besmetting die zijn vroegtijdige dood zou veroorzaken.
Verloren dagboeken
Eric Blair koos het pseudoniem George Orwell, om zijn bezorgde ouders te sparen en ook uit een vaag soort bijgeloof. Je gedrukte naam was kwetsbaar. Hij kon op een magische manier misbruikt worden. Het eerste bewaarde dagboekblad dateert van 25 augustus 1931. Eric Blair maakt kennis met Londense landlopers en vertrekt naar Kent om deel te nemen aan de hopoogst. De laatste dagboekbladen zijn in 1949 opgetekend in het hospitaal waar hij werd verpleegd. De elf dagboeken hadden er dertien kunnen zijn. Twee liggen mogelijk nog altijd in oude Sovjetarchieven. Toen hij tijdens de Spaanse burgeroorlog, ondanks zijn deelname aan de Republikeinse kant, door de Communisten werd geviseerd, hebben Russische geheime agenten papieren gestolen uit zijn hotelkamer in Barcelona.
Hop plukken in Kent
Het korte “Hop-picking diary” is buitengewoon levendig. Je ziet hoe de 28-jarige Orwell zich samen met andere drop-outs in de fontein van Trafalgar Square scheert en er alles aan doet om zijn beschaafde Engels aan te passen (weinig clochards hadden in Eton gestudeerd en brachten de dag lezend in Eugenie Grandet door). Hij slaapt in open lucht want de kerk van St. Martin’s-in- the-Fields is niet veilig. “Ik wou in St Martin’s slapen maar ik hoorde van de anderen dat een vrouw, die bekend staat als de Madonna, je daar grondig ondervraagt.” Dan maar een paar uren dutten in de straten die “er stil en verlaten bij liggen, en toch verlicht door felle lampen die het allemaal een doodse schijn geven, alsof Londen het lijk van een stad was.” Orwell werkt in de Kentse hopvelden tussen de seizoenarbeiders, zigeuners en gewone landlopers. Aan het kampvuur merkt hij op dat hij van de vijftien gezellen de enige is die nog niet in de gevangenis heeft gezeten. Een scherpe, nieuwsgierige kijk sluit zeker geen meeleven met zijn zelf gezochte lotgenoten uit. “Hij had een van de meest verachtelijke gezichten die ik ooit heb gezien. En toch was hij vriendelijk en eerlijk als het op delen van voedsel en betalen aankwam.”
Het leven in Wigan
In 1936 trekt Orwell naar Wigan, een mijnstadje in het noordelijke Lancashire. De dagboekbladen vormden het basismateriaal voor “The Road to Wigan Pier”, een sterke reportage over mijnwerkers in crisistijd. T.S. Eliot weigerde het boek bij uitgeverij Faber onder te brengen. Later zou Eliot ook “Animal Farm” afwijzen voor zijn fonds. Burgerzoon Orwell is zeer gevoelig over zijn intellectuele achtergrond. Zelfs een arbeider verburgerlijkt bijna automatisch als hij actief wordt in de politiek of in het vakbondswezen (”by fighting the bourgeoisie he becomes bourgeois“), merkt hij op. Een sterk punt van Orwell is zijn nuchterheid en aandacht voor het detail. Orwell had een grote behoefte aan soberheid en spaarzaamheid. Hij noteert nauwgezet hoeveelheden en prijzen. Hoe op een fatsoenlijke wijze (’decent” is hét Orwell woord bij uitstek) rond te komen en te leven, heeft hem zijn hele leven gefascineerd. Toen hij in Marokko, in Wallington of tegen het eind van zijn leven op het eiland Jura in de Schotse Hebriden ging schrijven en boeren, bracht hij deze houding ook in de praktijk.
Uiers in Marokko
Na een eerste longbloeding in 1938, raden zijn artsen hem een verblijf in zonniger streken aan. Hij is ondertussen met Eileen O’Shaughnessy getrouwd en heeft dan een uitputtende periode aan het Republikeinse front in Spanje achter de rug. En hij is de schrijver van het moedige “Hommage to Catalonia“. Zijn zeer linkse overtuiging (‘left and free of party labels“) belet hem niet de verraderlijke communisten te ontmaskeren. Wat nu volgt zijn afwisselend “Marocco and domestic diaries“. De dagen, thuis en in Noord-Afrika, zijn gevuld met de zorg voor gewassen, kippen en geiten (‘Udders are very pendulous & in many cases simply a bag with practically no teats barely ½ inch long’). Elke dag vermeldt hij het aantal opgeraapte eieren. De politiek is er altijd op de achtergrond, maar de lezer kan gelukkig terugvallen op de uitgebreide voetnoten van Peter Davison.
Orwell in de oorlog
Het dagboek van het “drôle de guerre” bestaat uit het verslag van zijn dagelijkse werk op het neerhof maar bevat ook overzichten uit verschillende kranten. Het eigenlijke oorlogsdagboek (mei 1940-augustus 1941) is fascinerende lectuur en een hoogtepunt. De nederlaag en repatriëring van het expeditiekorps, de slag om Engeland, de bombardementen worden met grote aandacht voor het moreel van de bevolking en de dagelijkse omstandigheden beschreven. Orwell kijkt ook naar dit alles met het oog van een oorlogsveteraan. En verrast is hij allerminst. “Sinds 1936 wist ik het zeker. Het geklets van de pacifisten en de vrees van het Volksfront dat de Britten een oorlog tegen Rusland voorbereidden konden me niet verblinden.” Merkwaardig is zijn verwachting dat er in Groot-Brittannië, met of zonder Churchill, een sociale revolutie komt. Nodig, want politiek rechts loopt niet echt warm voor de anti-fascistische strijd. Wie dacht dat ook tijdens de grootste oorlogsdreiging het politiek getouwtrek op het Britse thuisfront verdwenen was, moet dit dagboek lezen. Orwell werkt voor de Home Guard, de BBC en schrijft later een column voor de socialistische krant Tribune. “Het eerste teken dat de dingen in Engeland veranderen zal de verdwijning van die verschrikkelijk bekakte BBC stem zijn” schrijft Orwell, die versluierend en intimiderend taalgebruik verafschuwt. De BBC ligt hem niet “De sfeer ligt ergens tussen die in een meisjesschool en een gekkenhuis. Wat wij doen is nutteloos“. Halfbakken propaganda en domme censuur lagen Orwell niet.
Een boer in Schotland
Tussen 1942 en 1946 gaapt een gat. Orwell is na “Animal Farm” een succesrijk auteur, maar “1984” moet nog geschreven worden. Dat boek komt tot stand in een afgelegen boerderij op het bijna onbevolkte Schotse eiland Jura. Hij verblijft er met zijn jongste zus Avril en zijn aangenomen zoontje Rick. Zijn eerste vrouw is dan al overleden op de operatietafel. Zijn tweede vrouw zal hij huwen op zijn sterfbed. De Orwell van het Jura dagboek is een boer die ook schrijft (maar dat houdt hij uit het dagboek). De liefde voor zijn zoontje is discreet en aandoenlijk. De liefde tot de natuur uitbundig. De laatste dagboekbladen zijn de moeizame aantekeningen van een verzwakte man, net voor hij een gevierd auteur wordt. De lezer blijft wel met de vraag zitten hoe George Orwell de verwarrende Koude Oorlog als intellectueel en schrijver had overleefd.
Dagboekbladen

9.8.40: “Tegenover de regering heb ik geen scrupules. Ik zou belastingen ontduiken als ik kon. Ik gaf graag mijn leven voor Engeland als ik dat nodig vond. Maar niemand is vaderlandslievend als het over belastingen gaat.”
14.6.40: (Bij het zien van reclame in de Underground) “Hoe veel rommel zal deze oorlog opgeruimd hebben, als we dit nog tot het eind van de zomer volhouden. Oorlog is gewoon de omkering van beschaving. Zo veel wat goed lijkt in ons moderne leven is eigenlijk slecht, zodat je de vraag kan stellen of deze oorlog ons uiteindelijk wel schade berokkent.”
15.9.40: “Onlangs stapten vijftig mensen uit East End achter hun gemeenteraadsleden naar het Savoy Hotel. Ze vroegen of ze de schuilkelder mochten gebruiken. Het management slaagde er niet in hen te verwijderen totdat het bombardement voorbij was. Toen gingen ze vrijwillig weg. Als je ziet hoe de rijken zich nog steeds gedragen in wat nu duidelijk een revolutionaire oorlog wordt, denk je aan Sint-Petersburg 1916″.
25.10.40: “(Vluchtelingen) gebruiken Engeland als een toevluchtsoord, maar zij voelen onvrijwillig de diepste verachting voor dit land. Je ziet het in hun ogen, zelfs als ze het niet openlijk zeggen. Dat het eilandbewustzijn en de continentale kijk totaal onverenigbaar zijn, is een feit.”
23.3.41: “Ik kan nooit walging voelen voor bisschoppen die de kleuren van een regiment zegenen. Die verontwaardiging is het gevolg van de sentimentele gedachte dat vechten onverenigbaar is met liefde voor je vijanden. Eigenlijk kan je je vijanden alleen maar liefhebben als je bereid bent om hen in bepaalde omstandigheden te doden. Maar wat me doet walgen bij deze vertoningen is het ontbreken van elke zelfkritiek.”
15.4.41: (over de Engelse bevolking) “Je hebt voortdurend het gevoel tegen een ondoordringbare muur van domheid te beuken. Maar deze domheid kwam haar goed van pas. Elke andere Europese natie had in dezelfde situatie om vrede gesmeekt.”
1.4.42: “Een van de vreselijkste kenmerken van een oorlog is dat alle propaganda, al het geschreeuw, al de leugens en de haat altijd afkomstig zijn van mensen die niet vechten. Het is in alle oorlogen steeds hetzelfde: soldaten vechten, journalisten schreeuwen en geen patriot komt in de buurt van het front, tenzij tijdens een korte propagandatrip.”
(George Orwell, Diaries, edited by Peter Davison, Harvill Secker 2009)



Recente Reacties