Logo


03 september 2010 01:03

Cobra.be als startpagina

Toon de tekst in de standaard lettergrootte Toon de tekst groter Toon de tekst extra groot


Agenda:


blog/Johan De Haes

Mutsaers en Hood in Oostende

Oostende is onbetwist West-Vlaams, maar met een vleug kosmopolitisme, zelfs wat oude wuftheid. Deze “Queen of Watering Places” zoals Oostendenaar Karel Jonckheere haar graag noemde, was, net als Calais en Boulogne-sur-mer, een 19de-eeuws vluchtoord voor Britse echtbrekers en schuldenaars. Het verhaal van Joodse vluchtelingen en artiesten tijdens het interbellum, van Albert Einstein tot Joseph Roth, is goed bekend en beschreven. Voor de moeder van Eric De Kuyper bleef Oostende de havenstad waar tussen 1914 en 1918 aan de overkant een onbezet en machtig land lag. Voor Charlotte Mutsaers gebeurde het allemaal in omgekeerde richting, toen ze begin jaren tachtig in het gezelschap van Jan Fontijn met de ferry uit Engeland in een donker Oostende aanmeerde. Na een nacht in een louche hotelletje werden ze allebei verliefd op de stad en even later had Oostende er twee enthousiaste deeltijdse bewoners bij.

Minder bekend is het verhaal van de Engelse dichter Thomas Hood (1799-1845) die door schulden en ziekte in Oostende belandde en er twee jaar met zijn familie verbleef. Zijn fantasierijke, soms grappige en macabere gedichten, met eigen tekeningen verlucht, en zijn maatschappelijke engagement roepen met James Ensor als link, zo niet verwantschap dan toch merkwaardige parallellen met het werk van Charlotte Mutsaers op.

Een stad met veren in haar kont

Veren in haar eigen kont steken, dat kon bruisend Oostende goed” schrijft Charlotte Mutsaers in haar roman “Koetsier Herfst” (2008), waarvan het tweede deel Oostende tot decor heeft gekregen. En wat verder: “Eigenlijk gaat heel Oostende me aan het hart. (…) Nergens heb ik me zo door zee en wind omringd gevoeld. En dan dat licht en het zoetgevooisde West-Vlaams, zo zacht, zo zangerig.” “Koetsier Herfst” is in menig opzicht een ode aan deze havenstad.

De dichter en journalist Thomas Hood, op de vlucht voor schuldeisers, trok met vrouw en kinderen naar Koblenz, maar het Rijnland beviel hem niet. Daarom verhuisde hij in 1838 naar Oostende, hunkerend naar verse vis en een zacht klimaat, en in het hartverwarmende besef dat Engeland achter de horizon lag en de postboot op een steenworp van zijn huis.

Een sociaal bewogen dichter

Thomas Hood was een vriend van Charles Dickens en schreef, tekende, dichtte - reeds als tiener - voor een groot publiek dat de geïllustreerde weekbladen had ontdekt. Hij was een meester van de “pun”. Woordspelingen liggen aan de basis van zijn tekeningen maar doen nu soms wat braaf en flauw aan. Niettemin is er vaak een macabere kant die nog naar de hoogromantiek verwijst (Hood komt net na Byron en de bewonderde Keats). Maar zijn publiek was wel de nieuwe middenklasse.

Toch is Hood niet alleen een entertainer. Hij was een intelligente redacteur die Dickens en Browning voor zijn weekbladen kon strikken. Zijn bekendste gedicht, “The Song of the Shirt” maakte een natie vertrouwd met het harde lot van naaisters in de vroeg-victoriaanse tijd. “The Bridge of Sighs” vraagt mededogen voor een “gevallen” zelfmoordenares. En “The Elm Tree” is een geheimzinnige en bedwelmende ballade. Zijn commerciële ondernemingen hadden niet het verhoopte succes en uiteindelijk bleek zijn broze gezondheid niet tegen het werk en de tegenslagen bestand. Thomas Hood sr. stierf in 1845, zesenveertig jaar oud.

Domweg gelukkig in de Langestraat

In juni 1837 besluit Thomas Hood het ongastvrije Rijnland met zijn hete zomers en harde winters te verlaten. Met vrouw, dochter en zoon Tom (de latere dichter) reist hij naar Oostende. De laatste etappe gaat met de ‘trackschuyt” van Brugge naar de kust. “De Esplanade is heel mooi en het strand valt bij onze jonge spruiten zeer in de smaak. We kauwen dag en nacht op garnalen die hier in overvloed te koop zijn, en we laten ons de vis goed smaken. Ik heb dagen na elkaar niets anders gegeten. Als ik eraan denk dat er maar een strook zee tussen ons in ligt, dat de pakketboten heel snel zijn en er viermaal daags post is, voel ik mij in goede gezondheid en vol werklust.“(een brief uit “Memorials of Thomas Hood”, 1860).

Thomas Hood schrijft deze brieven vanuit zijn huis in de Rue Longue (Langestraat), vandaag nog berucht als uitgangsbuurt en met zijn Anglicaanse kerk en pubs nog steeds Engels getint. Hood weet te vertellen dat de Belgische koning en koningin binnenkort op bezoek komen, “zodat ik de buur van koningen zal zijn, want zij wonen in onze straat, niet meer dan drie vier deuren verder.” In de Langestraat bevindt zich nog altijd het oud koninklijk paleis (foto) waar koningin Marie-Louise in 1850 overleden is.

Een toevluchtsoord voor deugnieten

oud paleisVoor Thomas Hood was Oostende een hele verbetering. Er wordt Engels en Frans gesproken, en zelfs het Vlaams is een verademing, vergeleken met de lelijke keelgeluiden van de Duitsers (een gevolg van hun voorkeur voor kalkoenen?). Vaak komt de woordspelige kant van Hood bovendrijven. Phlemings noemt hij de rustige flegmatische Vlamingen. En de taalkundige constateert: “Vlaams kent vele woorden die er Engels uit zien. Boven de ingang van taveernes zie je vaak het opschrift: “Hier verkoopt Men Drank.” Eten en logies zijn goed, de mensen vriendelijk en zeer proper. Vrienden hoeven geen zeep uit Engeland mee te brengen. “Ik zou de straatkinderen hier kunnen kussen, en ook de meiden. Ik denk dat Duitse mannen elkaar kussen omdat daar door al het vuil het schone geslacht ontbreekt.

Maar hij blijft ook nuchter. Toeristen die zich al snel wereldburgers wanen, wantrouwt hij. “Een overdreven nationaal gevoel is absurd, maar het ontbreken ervan is een soort misdaad“. Een minpunt is de gewoonte bij Belgische mannen en vrouwen om niet gescheiden in de zee te baden. Maar dat is maar klein bier vergeleken met wat de Britten er uitspoken. Hun immorele gedrag hoort thuis in een roman. “Je weet” schrijft Thomas Hood aan een vriend “dat dit een toevluchtsoord is voor Engelse deugnieten van beider kunne.”

Mist en stinkend water

Toch komt er een eind aan het verblijf van Thomas Hood. Met zijn gezondheid gaat het niet zo best. Hij klampt zich vast aan de diagnose dat er wat aan zijn lever schort en dat de bloedspuwingen niets met zijn longen te maken hebben. Maar al gauw blijkt Oostende een veel te vochtige plek. Er is sprake van “de Koorts” die vooral Walcheren teistert. De vreselijke aderlatingen en bloedzuigers brengen geen soelaas. Drinkwater moet aangevoerd. Het putwater stinkt naar rotte vis. En dan zijn er de plots opkomende misten: “Om drie uur was alles in een witte mist gehuld en de stoepen waren nat als na een regenbui. Je kon letterlijk de mist zien opstijgen, trede voor trede, tot de hele trap nat was.” Het werd tijd om te vertrekken. Toch heeft het nog weken geduurd voor de twee kinderen hun ouders in Engeland mochten opzoeken. Eerst moest nog een schuld vereffend.

Bezemmeisjes en dode ratten

In “Paraat met pen en penseel”, het schrijversprentenboek over Charlotte Mutsaers” (n.a.v. de tentoonstelling in Oostende, nog tot 31 januari 2010) staat een foto van Charlotte in rode glitterjurk, verscholen achter een masker met rattenkop. Ze heeft een pancarte met een Ensoriaans opschrift in haar linkerhand. “Infâmes vivisecteurs!!!” staat er op. De foto dateert van 1998 toen het honderdjarig bestaan van het “Bal du Rat Mort” werd gevierd. James Ensor lag mee aan de basis van dit carnavaleske gebeuren.

Maar hoe was het carnaval in 1838? “In Koblenz was het een tijdverdrijf voor kooplui. Hier zijn het de saturnalia van de laagste klassen” schrijft Hood in een brief, maar “zelfs eerbiedwaardige burgers doen mee. Kinderen uit de burgerij verkleden zich, ook zonen van bankiers.” Twee nachten lang is het een en al rumoer in de straten van Oostende. Hun meid is niet meer in te tomen. “Ze vermomde zich als een bezemmeisje. Een rokje tot aan de knieën, blote benen en behangen met slierten stof. De eerste nacht raakte haar masker gescheurd en vandaag, na de tweede nacht, kan ze nog amper kruipen met haar gezwollen voet. Het gevolg van een vechtpartij? Ik weet het niet maar ik gruw ervan. (…) In Koblenz hoorde ik vaak goed zingen maar nergens was er zo’n gehuil en gekrijs als hier.” En toen maakte Marie de meid het al te bont. ’s Morgen kwam ze tussen zeven en acht dronken thuis. Toen er op een avond een groep luidruchtige carnavalvierders voorbij kwam, was ze plots verdwenen. ’s Anderendaags kreeg ze de bons. “Bless the stars there is no Carnival in England” besluit Thomas Hood.

3 Antwoorden op “Mutsaers en Hood in Oostende”

  1. marlon lafontaine Zegt:

    Ik had een kwetsbaar lief in Oostende, kom er beroepshalve in de Langestraat, ontmoet daar Russen en ander goor volk… mijn indruk is groezelig, grauw… maar wordt niettemin aangetrokken door iets van een mateloze grandeur die blijven hangen is… schizofrene stad, bedrieglijk licht… het strand en de zee spannen samen tegen de inlanders (dat zei Elsie me achteraf, na de breuk, het witte schuim dat kolkte)… Oostende, mist en wolken.

  2. charlotte mutsaers Zegt:

    Hoed af voor dit stuk over Thomas Hood. Voor mij een nieuwe en verrijkende (Oostendse) ervaring!

  3. bart Zegt:

    Oostende glamour en marginaliteit gaan er hand in hand, koningin en meid feesten samen.

Reageer